Het geheugen omvat drie functies:
- - De inprenting: dit is nodig om bijvoorbeeld een rij getallen onmiddellijk na te kunnen zeggen. Zonder de inprenting kan de rest van het geheugen niet functioneren.
- - Het korte-termijngeheugen: dit is nodig om iets enige minuten te kunnen onthouden, bijvoorbeeld een getal na 5 minuten nog kunnen noemen.
- - Het lange-termijngeheugen: hier worden herinneringen aan algemene en persoonlijke gebeurtenissen uit een voorafgaande periode bewaard.
Een gebeurtenis wordt door middel van de inprenting naar het korte-termijngeheugen gebracht. Vervolgens kan de gebeurtenis - mits deze `belangrijk' genoeg is - in het lange-termijngeheugen vastgelegd worden.
Na een beroerte kan er sprake zijn van geheugenstoornissen. Iemand heeft moeite om nieuwe informatie te onthouden en heeft daarmee moeite om nieuwe dingen te leren. Of iemand kan zich niet meer feiten uit het verleden herinneren. Maar er kan ook sprake zijn van problemen met de oriëntatie. Patiënten weten vaak niet welke dag het is of waar zij zich bevinden.
Door al deze problemen kunnen er gaten in het geheugen ontstaan Soms proberen patiënten deze gaten zelf op te vullen door verzinsels, ook wel confabuleren genoemd. Een hulpmiddel is om belangrijke informatie altijd schriftelijk vast te leggen zodat het terug gelezen kan worden.