[ Van Dulken - chirurg ]
Borstamputatie
Bij een borstamputatie (ablatio mammae) wordt de hele borst verwijderd. Hiermee streeft de chirurg ernaar al het borstklierweefsel van de aangedane borst te verwijderen. De ribben blijven bedekt door de borstspier.
Door de operatie ontstaat een vrij groot litteken. De borstwand is na de operatie niet altijd glad en kan iets verdikt zijn. Dit kan zich na een paar maanden herstellen. Kort na de operatie hoopt zich altijd een hoeveelheid wondvocht op onder het litteken. Ook dit herstelt zich na enige tijd.
De huid van de borstwand wordt minder gevoelig of helemaal gevoelloos. Dit vermindert vaak met de tijd. Soms komt het voor dat een deel van de wond juist extra gevoelig wordt.
Het verwijderde weefsel wordt onderzocht op het laboratorium. Bestraling is alleen nodig als dit pathologisch onderzoek daar aanleiding voor geeft.
Wanneer de wond genezen is, kan een borstprothese gedragen worden. Ook bestaat direct of later de mogelijkheid van een borstreconstructie.
Borstreconstructie
Bij een borstreconstructie maakt de plastisch chirurg tijdens een operatie een nieuwe borst. Een borstreconstructie kan worden uitgevoerd 6 tot 12 maanden na een amputatie of na beëindiging van eventuele bestraling en/of chemotherapie. Het is ook mogelijk de reconstructie te laten doen tijdens dezelfde operatie waarin de amputatie wordt verricht.
Een borstreconstructie is vrijwel altijd mogelijk. Er zijn verschillende manieren om een borst te reconstrueren. Niet elke methode is geschikt voor iedere patiënt. De arts bespreekt de verschillende mogelijkheden met de patiënt.
Borstsparende operatie
Om in aanmerking te komen voor een borstsparende operatie speelt de grootte van de tumor een belangrijke rol. Bij een tumor kleiner dan 4 centimeter wordt meestal een borstsparende operatie geadviseerd. Andere factoren die een rol spelen, zijn bijvoorbeeld de plaats van de tumor, de grootte van de borst en de algemene conditie van de patiënt.
Bij de borstsparende operatie wordt de kwaadaardige afwijking verwijderd met een gedeelte van het omliggende, gezonde borstweefsel. De chirurg verwijdert tegelijkertijd een gedeelte van het omliggende weefsel om er zo zeker mogelijk van te zijn dat alle kwaadaardige cellen die zich reeds rond het gezwel kunnen bevinden, ook worden verwijderd.
Microscopisch onderzoek van het verwijderde weefsel kan achteraf aantonen of de kwaadaardige afwijking volledig is verwijderd. Soms is de afwijking niet volledig verwijderd en is het noodzakelijk om in een volgende operatie het afwijkende weefsel ruimer weg te nemen. Dat kan vaak dan nog steeds borstsparend, mits er nog voldoende ruimte in de borst aanwezig is. Anders is het nodig om alsnog een amputatie van de borst te doen.
De cosmetische resultaten van de borstsparende operatie hangen af van de plaats en grootte van de tumor en van de omvang van de borst. De vorm en structuur van de borst kunnen door de operatie veranderen. De mate waarin dit gebeurt, is vooraf moeilijk te voorspellen. Sommige veranderingen zijn tijdelijk, andere blijvend. Het cosmetische eindresultaat na de operatie is vaak pas te beoordelen na zes maanden tot een jaar.
Een borstsparende operatie wordt altijd gevolgd door radiotherapie. Dit is nodig om de kans van terugkeer van de tumor te minimaliseren. Ook de bestraling is van invloed op het uiteindelijke cosmetische resultaat. De bestraling gebeurt over een periode van 5 tot 7 weken en start binnen 6 weken na de operatie, zodat de borst eerst de kans krijgt om te genezen.
Verdere informatie over deze behandeling wordt gegeven door de radiotherapeut. Tevens is informatie te lezen in het supplement radiotherapie van de behandelwijzer die de patiënt krijgt, de folder van het KWF of van de informatiefolder van de bestralingsafdeling zelf.